De 17e eeuw - Pietro della Valle

Om de beweegredenen van de eerste importeurs beter te kunnen begrijpen moeten we hun inspanningen vooral zien tegen de achtergrond van hun tijd en denken. Het begin van de 17de eeuw: de tijd van het humanisme. De wereld was in de eeuwen daarvoor plotseling een stuk groter geworden. Allerlei nieuwe gebieden waren ontdekt en de reizigers brachten vreemde, wonderlijke en exotische planten, dieren en voorwerpen mee. De wetenschappers waren verrukt. Het vergaren van kennis was de grote mode van die tijd. Men verruimde zijn blik en richtte deze meer en meer naar buiten de toenmalige bekende westerse wereld. Nauwgezet werden de reisverslagen gelezen die verhaalden over de nieuwe, verre en vreemde oorden. Anderen op hun beurt ondernamen deze reizen zelf. Dat daarbij ook die wonderlijke katten met een lange vacht werden ontdekt was slechts een bijkomstigheid. Dat er onder deze eerste ontdekkers toevallig ook grote kattenliefhebbers zaten heeft natuurlijk wel degelijk een rol gespeeld bij het verkrijgen van de grote bekendheid van deze katten.

De Italiaanse ontdekkingsreiziger en avonturier Pietro della Valle 1) was, voor zover ik heb kunnen nagaan, de eerste die dit ras beschrijft. Deze man, telg uit een voorname Romeinse familie, maakte tussen 1614 en 1626 een lange reis door het Midden-Oosten en Azië. Zijn aanvankelijke doel was een pelgrimage naar het Heilige Land, maar in plaats van enkele jaren duurde zijn reis meer dan 12 jaar en kreeg deze na verloop van tijd meer en meer een wereldlijk karakter. Desondanks blijft hij zich il pellegrino (de pelgrim) noemen. In zijn uitvoerige reisverhalen 2), in briefvorm geschreven aan zijn vriend, de Napolitaanse Dr. Mario Schipano, noemt hij het bestaan van een in zijn ogen treffelijk katteras of -soort met lange haren: ik vond in dit lant [hij verblijft dan in Isfahan in Perzië] zeker slach van katten / die zeer schoon zijn / en eigentlijk uit het Lantschap van Chorazan [gelegen in het oosten van Iran nabij de grens met Kazachstan] spruiten / geheel anders / dan de genen van Sora [Italiaanse stad aan de voet van de Apennijnen], die wy in Italien zo hoog achten. Vervolgens geeft hij een nauwkeurige beschrijving, de vroegste vorm van de standaard: zy zijn zo groot / en van een zelfde gestalte / als de gemene [gewone] katten ; en alle hun schoonheit bestaat in hun verwe [kleur] en hair ... Wijders / hun hair is dun / fijn en zacht gelijk zijde / en zo lang / dat het in enige wijze gekrult is / inzonderheit onder de keel / aan de borst / en aan de benen. Het schoonste van hun lighaam is de staert / die zeer groot is / en gantschelijk met hair bedekt / dat vijf of zes vinger breet lang is. Zy konnen deze staert om hoog steken / en op hun rug neder leggen / even gelijk d'inkhorentjes [eekhoorntjes] ; 't welk vermakelijk om te zien is. (De orspronkelijke Italiaanse tekst luidt: la loro grandezza e la loro bellezza stanno nel colore e nel pelo sottile, lucido, delicato come la seta e così lungo che, pur essendo riccio, in qualche punto è ricadente e inanellato, in particolare alla gorgiera, sul petto e sulle gambe. La parte più bella del loro corpo è la coda, molto lunga e tutta ricoperta di peli lunghi e sottili, che i gatti portano rovesciata sul dorso, come gli scoiattoli; la punta tenuta in alto a forma di pennacchio, è molto gradevole a vedersi.)

Sommige auteurs menen, dat hij ze in Ankara gewoon in de straten had zien lopen: in Ankara, toen nog Angora, leeft een katteras met lange haren. Een hoog op de poten staande straatkat. Dat was eind 16de eeuw 3). Dit kan niet juist zijn. Uit zijn brieven blijkt dat hij nooit in Ankara (of Angora) is geweest maar, wat Turkije betreft, alleen in Constantinopel. Vanuit deze stad schrijft hij, voor zover het katachtigen betreft, uitsluitend over enkele civetkatten die hij daar zag. Hij memoreert dan aan een tijdgenoot uit Venetië, die deze dieren thuis in kooien hield. Verder klopt ook de datering niet. Eind 16de eeuw is ca. 1575-1600. Hij werd geboren in 1586 en arriveert in Constantinopel (Istanbul) op 15 augustus 1614 en blijft daar tot 25 september 1615, de dag dat hij zijn reis vervolgt richting Caïro. Dat is zo'n kleine 50 jaar later in het begin van de 17de eeuw. Daarna is hij nooit meer in Turkije terug geweest. 4)

Uit zijn verslagen blijkt wel dat hij een niet onaanzienlijk aantal katten 5) bij zich had en daarmee voornemens was te gaan fokken. Het gaat dan om ten minste 8 stuks. Della Valle zegt daarover (zomer 1620): ik voegde vier koppels / mannetjes en wijfjes / te zamen / om jongen van hen te hebben / en de zelfden naar Romen te voeren / gelijk de Portugezen dusdanige katten naar Indien hebben doen brengen. Hieruit blijkt dus dat deze katten al eerder ontdekt waren en wel door de Portugezen. Het (vooruit)zenden van allerhande kunst- en oudheidkundige voorwerpen en soms ook van levende have naar Rome 6), deed hij wel vaker gedurende zijn reis. Zo stuurde hij in 1616 vanuit Caïro een witte aap, met een bijzonder lange staart die hij daar gekocht had en waarvan hij zeer onder de indruk was, via Alexandrië naar Rome. Of de 8 hiervoor genoemde katten ooit alle gezond en wel in Rome zijn aangekomen heb ik niet kunnen achterhalen en ook niet wat er verder met hen gebeurd is behoudens de verwijzing van Moncrif uit 1727 (over hem in het volgende hoofdstuk meer). Uit het feit, dat de desbetreffende tekst in de verleden tijd geschreven is, zou afgeleid kunnen worden, dat toen hij de brief schreef (zomer 1620), ze vermoedelijk al niet meer bij hem waren. In 1626, bij zijn terugkomst, zou hij trots het verbaasde Romeinse publiek over deze katten hebben verteld. 7)

Hij moet wel heel intiem met zijn katten zijn geweest, want ze mochten ook in bed! - Dus toen toch ook al! ... voorts zij zijn zo tam / dat mijn gemalin niet nalaten kon somtijts een daar af in ons bed tusschen de lakens te leggen. Ook gunt hij ons nog een blik op hoe ze verzorgd werden, een van de taken van zijn schoonvader: mijn schoonvader / een blygeestig man / ziende dat ik hen hoog achtte / dee alle ochtenden in zijn tegenwoordigheit eten aan hen geven / en schiep groot vermaak hier in / dat hy aan yder zijn deel gaf / en hen hoog dee opspringen / om 't zelfde te krijgen. Hy strookte en streelde hen / en noemde yder by zijn naam / Amber, Kaplan, Farfanichio [grote dwaas], Ninfa, en zo voort: en zy kenden hem ook / liepen al maeuwende rontom hem / en sprongen hem op 't lijf, 't welk een aangenaam vermaak was. Ik vreesde slechts voor een ding / dat is dat hy my bankeroet zou maken / met al te veel vleesch aan hen te geven.

Hij attendeert ook nog op schapen met een dergelijke vachtkwaliteit (wellicht bedoelde hij geiten), afkomstig uit dezelfde streek. Zoals echter in de inleiding van dit hoofdstuk al gezegd: de katten (en ook de schapen) waren maar bijzaak, Della Valle eindigt deze korte blik op zijn 17de-eeuwse cattery met de veelzeggende woorden: maar laat ons weer tot zaken van belang keren. 8)

Of we hier nu met 100% zekerheid te maken hebben met de eerste beschrijving van wat wij nu de Turkse Angora noemen valt moeilijk te zeggen. De landstreek van herkomst, die Della Valle noemt: Chorazan (Chorasan) ligt in Oost-Iran. De bevolking spreekt er Turks, vermoedelijk voortkomende uit het feit dat deze streek van 1037 tot 1120 door de Turken overheerst werd. Misschien zijn het wel (hele verre) afstammelingen van katten uit de omgeving van Ankara? Ook hoeven alle beweringen van Della Valle niet zonder meer waar te zijn. Hij had veel van horen zeggen! Straks zullen we zien dat een tijdgenoot van Della Valle, De Peiresc, zeker voor wat betreft de herkomst van zijn Angorakatten geen ruimte voor twijfel over laat. Wel is het zo dat de beschrijving van Della Valle van het type en de kenmerkende vacht volledig past bij het ras dat wij nu Turkse Angora noemen. Ook is een feit dat het oorsprongsgebied van de langhaar-factor, zoals al eerder gezegd, door de wetenschap momenteel gezocht wordt in de regio Zuid-Rusland, Turkije en Perzië en Chorasan ligt daar bijna precies middenin.

Opmerkelijk is de kleur van de door Della Valle gesignaleerde katten. Ze zouden alle graau zijn (grijs, wat wij nu blauw noemen), wat lichter op buik en borst en wat donkerder op rug en kop, maar effen van kleur. In dezelfde zin zegt hij vervolgens dat sommigen op de borst en buik geheel wit zijn ... Waren het misschien bicolours? Het gegeven dat deze dieren toevallig allemaal blauw/blauw-wit zouden zijn geweest, hoeft natuurlijk op zichzelf niet onjuist te zijn. Het is heel goed mogelijk dat ooit alleen enkele blauwe katten naar Isfahan uit de streek van Chorasan gehaald werden. Deze kunnen nu eenmaal genetisch niet anders dan blauwe nakomelingen krijgen, dus waren en bleven ze allemaal graau.

Noten

  1. Pietro della Valle, Romeins edelman, ontdekkingsreiziger en avonturier, geboren Rome 2 april 1586, ibid. 20 april 1652. Hij was een telg uit een rijk en zeer voornaam oud Romeins geslacht. Bekendheid verwierf hij door zijn reisverhalen. Hij werd al jong lid van de Academia degli Umoristi een exclusief humanistisch genootschap waarvan ook De Peiresc (over hem straks meer) lid was. In 1611 maakte hij een tocht naar Noord Afrika. Bij zijn terugkeer in Rome bleek dat zijn verloofde hem ontrouw was geworden. Dit greep hem bijzonder aan en hij besloot als pelgrim een reis naar het Heilige Land te maken. Op 8 juni 1614 vertrekt hij dan vanuit Venetië richting Constantinopel. Nadat hij zijn oorspronkelijke reisdoel had bereikt vervolgt hij zijn tocht richting Perzië en India. Op 28 maart 1626 keerde hij in Italië terug.
    Tijdens zijn reis trouwde hij in Bagdad met de adellijke Maani Joerida van Turks-Armeense afkomst. Zij sterft in Perzië op 30 december 1621. Hij laat haar lichaam balsemen en houdt de kist met haar stoffelijkoverschot op zijn verdere reis bij zich. Aangekomen in Rome laat hij de kist, voordat hij deze laat bijzeten in de grafkelder van de familie Della Valle, nog eenmaal openen Hij is teleurgesteld dat het lichaam reeds in verregaande staat van ontbinding is en meent dat dat geweten moet worden aan het feit dat bij het balsemen de hersenen niet werden verwijderd. Daarop laat hij haar in de nacht van 1626 plechtig bijzetten in de familie-crypte.
    Zijn belangrijkste werken zijn Oratio in funere Maanis Joëdiæ consortia uit 1627 n.a.v. het overlijden van echtgenote, een verhandeling over de Perzische koning Abbas: Relazione delle condizioni di Abbas, rè di Persia (1628) en zijn reisverhalen kort aangegeven als de Viaggi (1650-1663). Zie hiervoor de volgende noot.
  2. Het eerste deel van zijn reisbeschrijvingen verschijnt in Rome 1650 bij de uitgever Vitale Mascardi onder de titel Viaggi di Pietro della Valle il Pellegrino ... descritte da lui medesimo in 54 lettere familiari ..., later werd daaraan de ondertitel La Turchia aan toegevoegd. De beide volgende delen verschijnen postuum (uitgegeven door zijn zonen Valerio, Erasmo, Francesco en Paolo) in 1658 en 1663 eveneens in Rome maar nu bij de Franse uitgever Biagio Deversin. Het betreft hier La Persia in twee banden en L’India col ritorno alla patria in één band.
    Het eerste deel van de Viaggi verscheen al in 1662 in Rome bij Jacomo Dragondelli in herdruk en bevatte toen ook een biografie geschreven door G.P. Bellori. Er volgen in de 17de eeuw nog 5 verdere drukken in Venetië en Bologna. In de jaren 1661 tot 1663 werd door Gervais Clouzier in Parijs een niet al te beste Franse vertaling uitgegeven en in 1664-’65 de verder ingekorte Nederlandse (Amsterdamse) editie waaruit hier geciteerd wordt. In 1664 verscheen in Londen een Engelse vertaling en in 1674 werd in Genève bij Johann-Herman Widerholds in vier delen een komplete Duitse vertaling uitgegeven. Pas in de 19de eeuw wordt het werk van Della Valle herontdekt en zijn er een aantal (geannoteerde) bewerkingen verschenen die echter geen van alle de complete en integrale tekst bevatten, maar sterk ingekort zijn. O.a. Johann Wolfgang von Goethe was een groot bewonderaar van deze opmerkelijke man.
  3. Birr, 1990, pag. 20.
  4. Blunt, 1953, pag. 9-43.
  5. Blunt noemt ze Perzische katten naar de plaats waar hij ze aantrof te weten Isfahan in Perzië. Blunt, 1953, pag. 194.
  6. Bietenholtz, 1962, pag. 209; Blunt, 1953, pag. 70.
  7. Gerber, 1994, pag. 19.
  8. Alle hiervoor gaande 17de-eeuwse Nederlandse citaten zijn afkomstig uit de Amsterdamse editie uit 1664 van de Viaggi: Della Valle, 1664, band II, pag. 27; zie ook Blunt, 1953, pag. 194. Een exemplaar van de Amsterdamse uitgave uit 1663-’64 bevindt zich in de Provinciale Bibliotheek Friesland te Leeuwarden

 

 

 

vorige hoofdstuk top volgende hoofdstuk