165.gif (72 bytes)

 

De 18e eeuw - De glorietijd

De Franse schrijver, componist, musicus en levensgenieter bij uitstek François-Augustin Paradis de Moncrif 1) verkreeg in kringen van kattenliefhebbers vooral bekendheid door zijn boekje Les Chats uit 1727. 2) Een van de meest opmerkelijk dingen in dit deels in briefvorm geschreven boek is de wel heel bijzondere kattenstamboom in de 4e brief: Historische genealogie van het illustere geslacht van Brinbelle, geboortig uit Azië. Brinbelle, de eerste met deze naam, geboren in Constantinopel in het jaar elfhonderd en één van de Hegira, dat correspondeert met het jaar 1699 van onze jaartelling, trouwde in eerste huwelijk met de favoriete kat van de Grand Seigneur [Sultan]. Nadat haar echtgenoot was overleden scheepte ze zich in richting Frankrijk en beviel aan boord van twee vrouwelijke kittens waarvan haar overleden man de vader was. In Parijs trouwde ze in tweede huwelijk op de eerste mei 1700, Marmotin, en later in derde huwelijk op 10 augustus 1704 met de beroemde Ratillon d’Austrazie.

Uit dit genealogisch overzicht blijkt verder dat deze poes - alleen de vrouwelijke lijnen worden vermeld - in totaal 4 kittens had: bij haar eerste echtgenoot (het gaat hier dus over een kater voor alle duidelijkheid) de poesjes Brinbelle (de tweede met die naam) en Manon (de eerste van die naam), bij Marmotin, haar tweede partner de kater Le Grand Rouroux en tenslotte bij Ratillon d'Austrazie, haar derde echtgenoot de kater Le Grand Blancblanc. Haar beide zonen hadden nimmer nakomelingen, die zullen wel gecastreerd zijn. Brinbelle 2 werd zonder dat haar dat gevraagd was of dat zij dat wilde naar het platteland gestuurd (waarschijnlijk naar een landgoed of kasteel) en had bij een onbekende kater twee kittens: Areopagite de oudere en Areopagite de jongere. Van deze beide kittens wordt nog gezegd dat hun karakter bijzonder vriendelijk was, alhoewel ze bij een eerste kennismaking wel wat koel en afstandelijk zijn. Ze voelen zich eigenlijk alleen maar op hun gemak bij echte vrienden, maar hebben altijd de meest perfecte manieren.

Circa 125 jaar na de introductie in Frankrijk en Italië beschrijft Buffon 3) in zijn Histoire Naturelle uit 1756 een kattenras met wuivend, zijdeachtig haar en een lange volle staart. Op een kopergravure in dit werk 4) wordt een (Turkse) Angora kat met tabby tekening getoond. Vaak wordt dit gegeven in artikelen over het ras met enige trots vermeld. Daarbij vergeet men wel dat Buffon, in tegenstelling tot De Peiresc, bepaaldelijk géén kattenvriend was. Integendeel, voor hem waren het slechts achterbakse, gemene en boosaardige dieren, die als enkel nut hadden dat ze op muizen konden jagen. Hij schreef o.m. - en bij menig kattenvriend zullen hiervan de haren te berge rijzen: de kat is een ontrouw huisdier die men slechts uit noodzaak houdt, om zich te verweren tegen een andere, nog hinderlijker vijand [ratten en muizen] ... vooral wanneer ze nog jong zijn, zijn ze vertederend, maar tegelijkertijd hebben ze een aangeboren sluwheid, een vals karakter en een verdorven natuur die verergert naarmate ze ouder worden en die een goede opvoeding slechts maskeren kan ... ze worden dan gedwee en echte vleiers, net zoals schelmen. Ze hebben dezelfde omkooppraktijken, dezelfde scherpzinnigheid en hebben dezelfde aanleg voor het kwade ... Ze wachten af, kiezen èn grijpen het juiste moment aan om hun slag te slaan, om zich vervolgens aan hun straf te onttrekken door ver weg te vluchten en komen pas terug tot men ze weer bij zich roept. 5)

De natuurwetenschapper Linnaeus 6) benoemde ze Felis catus angorensis. Samen met de huiskat en de Kartuizer, zijn dit bij Buffon en Linnaeus de enige 3 kattensoorten/-rassen welke de eer te beurt viel een eigen naam te krijgen.

Buffon dateert de komst naar Italië in de 16e eeuw. Hij ontleende zijn gegevens - zonder bronvemelding - aan het hiervoor besproken werk van Moncrif, dat kort daarvoor was verschenen. Omdat het werk van Buffon een veel grotere internationale bekendheid heeft gekregen dan dat van Moncrif, vinden we deze, wat betreft de datering, foutieve gegevens zo vaak terug. Immers een beroemdheid als Buffon citeren of aan zijn gerenommeerde werk gegevens te ontlenen leek volkomen terecht en verantwoord. Gebleken is dat dat in dit geval dus niet zo is.

Op menig schilderij uit de 18e en 19e eeuw werd de Turkse Angora geportretteerd, zoals op het ca. 1761 ontstane werk, Un chat Angola (sic) qui guette un oiseau, (Een Angora kat op vogeljacht), in particulier bezit, van de beroemde Franse schilder Jean-Jacques Bachelier (1724-1806). Ook komen we haar tegen op diverse genrestukken van zijn tijdgenoten, zoals Martin Drölling de oudere (1752-1817). Van hem is heel bekend La femme à la sourcière (Vrouw met muizeval) uit ca. 1798 (Musée des Beaux-Arts, Orléans), waarop net als bij Bachelier een fraaie witte Turkse Angora te zien is. 7) Elisabeth Foucart-Walter en Pierre Rosenberg (conservators verbonden aan het Louvre te Parijs) suggereren dat het hier genoemde schilderij van Bachelier - uniek in die zin omdat het tot die tijd eigenlijk hoogst ongebruikelijk was dat een kat zo prominent werd geportretteerd - wel gezien zou kunnen worden als een artistiek antwoord aan (lees: protest tegen) zijn tijdgenoot, De Buffon, die katten zo intens verachtte. 8) Dat Drölling en menig tijdgenoot, deze katten op hun schilderijen vaak in eenvoudige boereninterieurs of buiten op het erf plaatsen, wil zeker niet zeggen dat ze daar ook in de 18e eeuw hebben rondgelopen en geleefd. Het bezit van een dergelijke kat was van meet af aan een statussymbool bij uitstek en uitsluitend voorbehouden aan de aller rijksten. Deze zgn. genrestukken passen geheel in de geest van die tijd - denk maar eens aan de bouw een folly voor koningin Marie Antoinette (1755-1793) in de vorm van een boerderijtje in het park van Versailles - en werden doorgaans speciaal voor deze klasse op bestelling gemaakt.

Uit de afbeeldingen op diverse portretten (vaak van kinderen) uit die tijd blijkt, dat het toen niet alleen om puur witte exemplaren ging, maar dat gekleurde Turkse Angora's wel degelijk algemeen bekend en - gelet op het feit dat deze troeteldieren samen met het baasje of bazinnetje op het portret mochten - geliefd waren in het Frankrijk van de 18e eeuw. Tijdens mijn speurtocht kwam ik een heel scala van verschillend gekleurde exemplaren tegen. Zo werd Ambroise-Louis Garneray ca. 1793 door zijn vader Jean-François Garneray (1755-1837) vereeuwigd met een magnifiek blauw met wit exemplaar ( Musée national du Château de Versailles) Verder zien we ook rode, zwarte, schildpad met en zonder wit, harlekijn, etc. Een halve eeuw later, om precies te zijn in 1855, schildert de beroemde Franse kunstenaar Jean Désiré Gustave Courbet (1819-1877) zijn l'Atelier ( Musée d'Orsay, Parijs), waarop heel parmantig op de voorgrond een witte Turkse Angora. Ook in Engeland komt deze kat op schilderijen (genrestukken) uit de Victoriaanse tijd geregeld voor. Veel van deze werken zijn te vinden in de Londense Tate Gallery. De populariteit in Groot Brittanie van het ras was vrij kortstondig (tot rond 1900) en begon pas na de presentatie op de eerste kattententoonstelling in Crystal Palace in 1871. 9)

Uit dit bescheiden historisch en iconografisch onderzoek kan eveneens de conclusie getrokken worden, dat voor zover was na te gaan, Turkse Angora's, danwel langharige katten, voor 1750 niet op schilderijen, tekeningen, e.d. voorkomen en ook nog niet echt algemeen bekend waren. Daarbij is gebleken dat de eerste exemplaren werden geschilderd in Frankrijk en naar het zich laat aanzien niet in Italië. De katten op Italiaanse schilderijen uit zowel de 16e, 17e als 18e eeuw zijn alle korthaar katten van het type dat wij nu de huiskat noemen. Ook op Franse schilderijen van voor 1750 komt uitsluitend dit korthaar type kat voor. De echte grote populariteit van de Angora's heeft klaarblijkelijk pas vanaf het midden van de 18e eeuw een vlucht genomen en wel in het bijzonder in Frankrijk. Dat deze katten ook daarvoor, vanaf de 17e eeuw, wel degelijk in West-Europa voorkwamen staat buiten kijf. Immers de bronnen bevestigen herhaaldelijk de import door en de fok met (Turkse) Angora's van Della Valle en De Peiresc.

Het is dan ook heel verklaarbaar dat deze kat, omdat ze juist in Frankrijk zo populair werd - aan de hoven van vorsten en edelen wel te verstaan - vaak de Franse kat genoemd werd. Zo waren koning Lodewijk XV (1710-1774) en zijn echtgenote de Poolse Maria Leszcynska (1703-1768) verrukt van hun onbevlekte (witte) Turkse Angora's en met hen talloze andere prominenten uit die tijd zoals daarvoor de staatsman kardinaal de Richelieu. J.P. Dubois meent (ten onrechte), dat het sultan Süleyman II de Prachtlievende (1494-1566) zou zijn geweest die deze Franse koning, via zijn ambassadeur aan het hof van Versailles, een schitterend wit exemplaar van dit kattenras cadeau had gedaan. 10) 11) Gelet op de jaartallen is dit natuurlijk niet mogelijk. Meer waarschijnlijk is dat het hier gaat om sultan Mahmut I (1696-1754) of een van zijn directe opvolgers. Vooral Mahmut was deze Lodewijk wel het e.e.a. verschuldigd. Na enige oorlogen met Perzië en Rusland had hij in 1739, mede dankzij de bemiddeling van Frankrijk, de voor hem zeer voordelige Vrede van Belgrado kunnen sluiten. Een attentie zou dus zeker op z'n plaats zijn geweest en was in die tijd, net als nu nog steeds, tussen staatshoofden heel vanzelfsprekend en gepast. U ziet het: een rasclub van liefhebbers van de Turkse Angora in die tijd zou een wel zeer illuster gezelschap zijn geweest. Hun bijeenkomsten hadden de leden gemakshalve het beste kunnen houden op het kasteel van Versailles, met de Franse koning als gastheer. Gelukkig zijn de tijden in dit opzicht nogal veranderd en kan nu een veel breder publiek zich de luxe van een Turkse Angora permitteren.

Noten

  1. François-Augustin Paradis de Moncrif geboren Parijs 1687, overleden aldaar in zijn appartement in de Tuilerieën op 12 november 1770, 83 jaar oud. Hij was een zoon van de advocaat Paradis, secretaris van de koning, die na enige malversaties in ongenade was gevallen en jong is gestorven. Zijn moeder een Schotse met de familienaam Moncrëiff voedde de beide nagelaten zonen alleen op. De jongste is later in het leger gegaan en van hem is nooit meer iets vernomen. François-Augustin volgde niet de voor hem uitgestippelde lijn - een zakelijke carrière - maar zocht zijn heil in de schone kunsten. Daarbij was een uitstekende schermer. Vooral door deze laatste kwaliteit kwam hij veelvuldig in aanraking met jonge mannen uit de hogere klassen van de maatschappij en trad bij sommigen van hen in dienst. Zo was hij de begeleider van de hertog d’Aumont, toen deze tot ambassadeur aan het Hof van St. James in Londen benoemd werd en later de privé secretaris van de graaf d’ Argenson. Het was in die periode dat zijn gedrukt werd. Zijn echte entré aan het hof maakte hij toen hij in 1729 in dienst trad van Louis de Bourbon-Condé, graaf de Clermont, prins Capétien, Abbé de Saint Germain (1709-Versailles 1771), zoon van Louis III, prins van Condé en Louise Françoise de Bourbon, genoemd Mlle. de Nantes, een onwettige dochter van Lodewijk XIV bij Madame de Montespan. Nadat hij met hem had gebroken werd hij voorlezer van koningin Maria Leszynska, de echtgenote van Lodewijk XV en van haar schoondochter de dauphine, prinses Maria Jozefa van Saksen. Beide laatste functies werden nota bene op zijn eigen verzoek door Lodewijk XV gecreëerd. Hij verkreeg later ook nog de functies van secretaris van de hertog d’ Orleans en die van Secretaris-Generaal van de Posterijen - waarvan de werkzaamheden te verwaarlozen waren maar waarvan het pensioen zeer aangenaam was. Ten slotte werd hij nog koninklijke censor. Voorwaar al met al toch nog niet zo’n bescheiden carrière!
    Toen hij, niettegenstaande hevige protesten, uiteindelijk toch lid geworden was van de l’Académie Française (29.12.1733) heeft hij, vermoedelijk onder druk Les Chats uit zijn verzamelde werken weggelaten. Naast Les Chats is hij ook de auteur van verschillende essays, toneelstukken, balletten, opera’s en verhalenbundels. Bekend zijn o.m. zijn Ode op Lodewijk XIV, de roman Les Aventures de Zeloïde et Amanzarifdine (1715) en Les Abderites, een satirische komedie (1722). Spottend noemde men hem ook wel Historiogriffe.
    Hij stond bekend om zijn grote gevatheid en charme. Toen zijn einde naderde, hij was inmiddels ernstig ziek, zei Lodewijk XV tegen hem, om hem op te beuren: Meneer we geven U wel 90 jaar, waarop hij antwoordde: Zeker Sire, maar ik neem ze niet. De overleving vertelt dat zijn laatste woorden zijn geweest: Paradis de Moncrif sera tout à l’heur Moncrif de Paradis (Paradis van Moncrif zal dadelijk zijn Moncrif van het Paradijs). Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd hij op zijn sterfbed omringd door muziek en dans. Een waardig einde voor een ware bon vivant. Deze biografische gegevens werden ontleend aan de inleiding door Reginald Bretnor van diens vertaling van Les Chats uit 1965 en het voorwoord van Robert de Laroche bij zijn bewerking daarvan uit 1988. ( Moncrif, 1965, 8-13; idem, 1988, 9-28)
  2. Dit werk bestaat uit een aantal brieven, sonnetten en een toneelstukje, waarin de dramatis personae alle katten zijn. De eerste uitgave dateert van 1727 (Parijs bij Quillan) en was een zer eenvoudige versie, min of meer in pamfletvorm.Omdat hij over deze Aziatische en ook andere katten in zijn boek spreekt als waren het mensen, is hij in zijn tijd sterk bekritiseerd en een onderwerp van spot geweest. Men gaf hem na een publieke ruzie hierover met de dichter Charles Roy de bijnaam Minet (poesje)
  3. George Louis Leclerc, graaf de Buffon, Franse bioloog en botanicus, geboren Montbard 1707, overleden Parijs 1788. Hij startte zijn carrière in 1727 met het vertalen van het boek van de Engelse botanicus S. Hales Vegetable Statics. Hij werd later intendant van de Jardin du Roi, het latere Musée d'histoire naturelle in Parijs. Zijn belangrijkste werk is de Histoire Naturelle dat tussen 1749 en 1789 (een jaar na zijn dood) in 36 delen is verschenen. Hij had met zijn ideeën en theorieën grote invloed op natuuronderzoekers als Georges de la Motte chevalier de Lamarck, Georges baron Cuvier en de beide Darwins. In 1778 schreef hij nog een supplement op de Histoire Naturelle getiteld Epoques de la Nature.
  4. Het betreft hier de Brusselse uitgave uit 1856.
  5. Mégnin, 1899, pag. 122-124; Moncrif, 1988, pag. 25-26.
  6. Carolus Linnaeus, eig. Karl (sedert 1753 von) Linné, Zweedse natuuronderzoeker, geboren 1707, overleden Uppsala 1778.
  7. Foucart-Walter, 1987, pag. 138 e.v. Hier worden verschillende 18e eeuwse schilderijen afgebeeld met daarop Angorakatten; Birr, 1993, pag. 20 verwijst naar een aantal van dezelfde schilderijen.
  8. Foucart-Walter, 1987, pag. 39.
  9. De meeste van deze schilderijen zijn te vinden in Foucart-Walter, 1987.
  10. Dubois, 1995, pag. 61.
  11. Er bestond trouwens wel een hartelijke relatie tussen Süleyman II en koning Frans I van Frankrijk. Of deze sultan echter aan deze koning ooit een langharige kat ten geschenke heeft gegeven, heb ik (nog) niet kunnen achterhalen.
 

 

vorige hoofdstuk top volgende hoofdstuk